
In het jaar 841 zetten Vikingen na verschillende geslaagde expedities voet aan wal in Rouen, om daar de kloosters en andere rijke doch makkelijk veroverbare vestingen te plunderen. Het succes was zo groot, dat de Noormannen besloten hun tentenkampen in de regio op te slaan om vaker en zonder een grote tocht te hoeven ondernemen door konden gaan met hun rooftochten. Karel de Eenvoudige moest hier niets van weten en had geen grip op de zaak, dus bood hij na het verslaan van hoofdman Rollo bij Chartres deze een stuk land aan als het dan afgelopen zou zijn met diens gedragingen en hij bovendien de Seine zou beschermen tegen andere bendes.
Zo’n twaalf eeuwen later toog er een andere groep mensen uit een relatief noordelijke streek naar deze stad. ’t Betrof een studiekring van studentenvereniging Sola Scriptura uit Utrecht, die deze vindplaats van hoogstaande architectuur, cultuur en wervelende geschiedenis wilde opzoeken, omdat zij zich een jaar lang met de Middeleeuwen bezighield. Hiertoe ontving deze kliek een beurs van Stichting De Honderd Gulden Reis, waardoor zij, geheel in de geest van diens oprichter George Puchinger, tamelijk onbezorgd in een refocontainer die kant op kon gaan.
Aldaar, via een pitstop bij de supermarkt, aangekomen, werd het onderkomen verkend en de kookploeg de opdracht gegeven ons van voeding te voorzien. Onder genot van een heerlijke seize-soixante-quatre legde zij zich erop toe een prachtige pasta te produceren, terwijl de anderen moesten concluderen dat we het warempel niet slecht getroffen hadden. Het huis hing gek vol met prints van Alfons Mucha, we bevonden ons niet ver van het centrum en beschikten over een balkon met uitzicht over, zij het een sterk industriële zijde van, de rivier.
Na het houden van de maaltijd, het terugbrengen van de keuken in haar smetteloze staat en het verdelen van de slaapruimtes ging men in beraad over de invulling van de luttele overgebleven avonduren. In het achterhoofd houdende dat hier weinig van over waren, zo dachten de kringleden toen nog, en dat het gezelschap een vermoeiende reisdag achter de rug had, werd besloten een bezoek aan het centrum tot de volgende morgen uit te stellen. Tevreden zeeg men neer en vermaakte zich met een versnapering, een goed gesprek en Boer zoekt Vrouw.
Een kleine delegatie pendelde de volgende ochtend heen en weer naar de lokale boulangerie, om alle respectievelijk meer of minder uitgeslapen gezichten van croissants en stokbrood te voorzien, gezien de zaterdag toch de dag was om het oord zo plat mogelijk te lopen. De oude stad bevond zich werkelijk dichtbij, al lopende was hij prima bereikbaar, daarbij onderwijl steeds meer van zijn grootsheid onthullend. Zo doken de curieuze torenspitsen die de skyline van Rouen rijk is nu en dan verrassend op, en trof de brigade zichzelf, afgeleid door de Kerstmarkt aan de voet van de kerk, opeens aan voor de poort van de Cathédrale Notre-Dame de Rouen.
Magnifiek, ieder ander woord zou misstaan. Wij deinsden achteruit, in een poging het geheel in een oogopslag te kunnen beschouwen, maar tevergeefs. Het bouwwerk, in verschillende stadia verworden tot wat nu het aartsbisdom mocht huisvesten, was simpelweg te groot. Onze ogen keken wij uit, voor ieder was er wat wils: de oorspronkelijke Romaanse fundamenten, de gotische portalen aan weerszijden, de geniale roset, om nog maar te zwijgen van de opmerkelijke gietijzeren spits uit de negentiende eeuw. Eenmaal de kaak die eerst opensprong van verwondering weer dichtgeklapt, konden wij het interieur aandachtig gaan bekijken.
Verfrist door de oase die binnen over ons was gekomen, dreven we daarna richting het Musée des Beaux-Arts, om in stilte, die eenmaal verbroken werd doordat een van de reizigers het gehoor durfde te verkwikken aan de hand van pianospel, de meest adembenemende
kunstwerken tot ons te nemen. Een schitterende collectie, eerlijk waar. Naast vele klassieke voorstellingen werd het zicht gestreeld door zalen vol impressionistische schilderijen, waar men gewoonweg langs kan dwalen, de indruk daarvan voldoende zijnde om het werk te kunnen waarderen. Een hoogtepunt hiervan vormde enkele van de weergaven van Claude Monet van de kathedraal die we zojuist hadden aanschouwd.
Wat, of beter wie, we tevens veelvuldig in de galerij aantroffen was, ieder beeld van haar volstrekt uniek, Jeanne d’Arc. Veel interpretaties lieten haar zien op het moment van het haar voltrokken vonnis: de brandstapel, al toonden enkelen haar ook in volle glorie als ruiter of met een zwaard in de hand, nevens een stuk of wat mystieke getoonzette taferelen, die recht probeerden te doen aan haar eigen profetische getuigenis. Het voert te ver om hier de legitimiteit van de rechtszitting dezer volksheldin te bekritiseren, evenals te beargumenteren dat zij mogelijk het archetype of het voorbeeld vormt van de pioniers van de Reformatie na haar, maar we mogen in het voorbijgaan becommentariëren dat zij iets van de vrome, opstandige en assertieve geest bezat die we ook herkennen bij John Wycliffe, Johannes Hus, Maarten Luther, de Calvinisten en uiteindelijk de gereformeerden.

De overige uren werden door ons negental besteed met onder andere het bezoeken van de twee overige kathedralen. De een, die met de afgeplatte toren, was nog open en binnen zijnde konden we genieten van iemand die juist zijn koraalrepertoir aan het opschroeven was. Bij de ander arriveerden we na sluitingstijd, dus moesten we genoegen nemen met een rondje door de tuin.
Donkerte zoals men in de late herfst kan verwachten viel over ons, en de vermoeienis van de gebroken nacht begon parten te spelen. In overleg ging het moegedraafde clubje huiswaarts om boodschappen te doen en eventueel een kort slaapje te nuttigen, de achtergeblevenen plezierden zich door tussen de beeldige vakwerkhuisjes vakkundig wat Franse bieren te gebruiken. Weer bij elkaar gekomen werd een schattig restaurantje gereserveerd waar de wijn rijkelijk vloeide, de borden afgeladen vol werden geserveerd, en iemand zwaar teleurgesteld werd toen zijn croque-monsieur een veredelde tosti bleek te zijn.
Al uitbuikende werden de lieden door de aangewezen chauffeurs na het toetje wederom naar hun onderkomen gebracht. Daar volgde een slome avond en een betere nacht dan de vorige. Een gehaast ontbijt achter de kiezen stouwende sprongen de jongelingen des ochtends weer in de vehikels om voor een laatste keer de indrukwekkende kathedraal binnen te gaan, ditmaal om de mis mee te maken. Weer buiten vormen de al even genoemde Kerstmarkten een schril contrast met de ware geestelijke rijkdom die we onder de gewelven hadden mogen meemaken. Wat deze seizoensgebonden prullaria-afzet echter voor had op de oecumene, was de draaimolen. Teneinde de caissière, die in slaap gesukkeld was, weer op de been te helpen werd er een kaartje gekocht en een ritje gemaakt. Eenmaal veilig terug in wat ons thuis was geweest, werd een warme maaltijd gehouden die ons moest voorbereiden op de terugtocht, welke na een grondige opruimsessie werd ingezet.
Quinten Bolt en Willem de Waal (studiekringleiders)
